ELMA

Ex Libris Medicalibus Antiquis

Bommen op burgers

Tweeëntwintig februari. De dag van het bombardement van Nijmegen. Er is een herdenking in de Molenstraatkerk. De kerk is bij het bombardement deels verwoest. Het voorste deel is gespaard. Ik mag er vandaag bij zijn, niet als dokter, maar als zanger. Publiek en hoogwaardigheidsbekleders lopen binnen. Wij zingen met een groep mannen Circumdederunt me funes mortis. Tentakels van de dood hebben mij in hun greep.

‘Nooit meer zal ik alles wat leeft doden, zoals ik nu heb gedaan’ zegt de voorganger. Woorden van Jahweh, kort na de zondvloed. Wij zingen Media vita in morte sumus. Midden in het leven zijn wij door de dood omgeven.

Bij het bombardement van Nijmegen, vandaag 76 jaar geleden, zijn 760 doden gevallen. Dat is niet veel minder dan in Rotterdam op 14 mei 1940. Toch is het Nijmeegse bombardement weinig bekend. Dat geldt ook voor de bombardementen op Arnhem, Deventer en Enschede op diezelfde 22e februari. Ze zijn lang doodgezwegen. Ze zijn afgedaan als ‘vergissingsbombardementen’. Wat is hier gebeurd?

Begin 1944 zijn grote eskaders van de Amerikaanse en Britse luchtmacht bezig met het bombarderen van Duitse fabrieken. De Buckaroos van de Amerikaanse luchtmacht moeten de Messerschmitt-vliegtuigfabriek in Gotha platleggen. Op 22 februari 1944 zit alles tegen. Bij het opstijgen in Engeland is het mistig. Boven de Noordzee raken veel vliegers het contact met hun sectie kwijt. De aanval wordt afgeblazen, maar de Buckaroos vliegen dan al boven Duitsland. De commandant geeft opdracht gelegenheidsdoelen te kiezen. Hij kiest daarvoor de Duitse grenssteden Goch en Kleef uit. Maar de bommen vallen op vier Nederlandse steden. Onbedoeld. Maar het is geen vergissing! De Dinky Duck, die de bomvlucht aanvoert, moet wegens drukte in het luchtruim twee keer uitwijken. Als er ineens een grote stad opdoemt, kiest Dinky Duck het station als gelegenheidsdoel. Het stationsgebied is al eerder als oorlogsdoel aangemerk. De Duitsers gebruiken het voor wapentransport. Dertien Buckaroos volgen richting station.

Om 13:28 uur worden er 144 brisantbommen en 426 splinterbommen afgeworpen. Het station wordt getroffen, maar een aanzienlijk deel van de bommen valt (te vroeg?) in het stadscentrum: op woonhuizen. Omdat het luchtalarm niet tijdig is afgegaan worden veel burgers gedood of gewond. Aan de Kronenburgersingel woont kinderarts Peljak met zijn gezin. Hij houdt er ook praktijk. Het huis krijgt een voltreffer. Vader en moeder Peljak en vijf van hun kinderen overleven het niet.

De hulpverlening is een chaos. Door de massa’s puin in de straten is er geen doorkomen aan. Pas een uur na de ramp kunnen ambulances het centrum bereiken. Er zijn 300 zwaargewonden en 500 lichtgewonden. Canisiusziekenhuis, Wilhelminaziekenhuis en Sint Maartenskliniek kunnen die aantallen niet aan. Er worden hulpposten ingericht, zoals in de Twentsche Bank aan de Hertogstraat. Er arriveren chirurgenteams uit Arnhem en Leiden.

De geallieerden zitten behoorlijk in hun maag met dit bombardement. Tientallen jaren houden luchtmachtleiding en overheid vol dat de vliegers niet hebben geweten dat ze Nijmegen hebben gebombardeerd. Het was een betreurenswaardige vergissing! De meeste vliegers hebben wel degelijk in de gaten gehad dat ze boven Nijmegen hebben gezeten, zo hebben ze verklaard kort na hun landing in het Engelse Suffolk. Het duurt tot 1984 tot dit taboe wordt doorbroken en amateurhistoricus Brinkhuis zijn boek publiceert (1). Hij toont aan dat de eenheden zelf hun gelegenheidsdoelen moesten kiezen. Historicus Rosendaal spreekt later van ‘een gelegenheidsbombardement’ (2).

Langzaam geeft Nijmegen het drama een plaats, mentaal en ook materieel. In 1984 is er voor het eerst een herdenking. In 2000 komt er een monument voor de slachtoffers: ‘De Schommel’ op het plein achter het stadhuis. Vanuit de Molenstraatkerk loop ik erheen. Een paar honderd mensen. Minister Grapperhaus neemt het woord. Hij kwalificeert het bombardement als een vergissing. Dat doet pijn. “We herdenken soldaten en verzetsmensen, maar over zinloze burgerslachtoffers is het oorverdovend stil gebleven”, zegt hij. ,,Dit is leed dat vergeten is, en dat is volkomen onterecht. Dat mogen we niet meer toelaten. Nooit meer zwijgen en verzwijgen.”

Het is 13:28 uur. Het tijdstip van het bombardement. Twee minuten stilte. Ik denk na. Waren die burgerslachtoffers zinloos, zoals Grapperhaus beweert? Historisch onderzoek heeft de ware toedracht onthuld. Daar leren we van. Je kunt burgerslachtoffers niet wegrelativeren. Niet in Nijmegen, en ook niet in Hawija. Kun je ze voorkómen? Dat lijkt ver weg. Burgers doden is tegenwoordig een strategie: die van de terrorist.

(1) Brinkhuis A. De Fatale Aanval 22 februari 1944. Opzet of vergissing? Weesp: Gooise Uitgeverij, 1984.

(2) Rosendaal J. Nijmegen ’44. Verwoesting, verdriet en verwerking. Nijmegen: Vantilt, 2009.