ELMA

Ex Libris Medicalibus Antiquis

Ondergronds afzien

De toeristen die tijdens de hittegolf van afgelopen week de steenkolenmijn Valkenburg binnengingen was het vooral om afkoeling te doen. Valkenburg is een bezoekersmijn. Er zijn daar nooit kolen gedolven. Wat een verschil met de echte mijnen! Daar was het echt warm. En stoffig, vuil, donker en lawaaiïg. Er is onbeschrijfelijk afgezien op grote diepte, om die felbegeerde fossiele brandstof naar boven te halen.

De laatste Nederlandse steenkolenmijn sloot in 1974. Op 31 december van dat jaar werden de laatste kolen in de Oranje-Nassau I te Heerlen naar boven gehaald. De mijnbouwkennis vond zijn weg naar andere bedrijfstakken. Weg- en waterbouw, tunnelbouw, de noordzuidlijn. Maar hoe zit het met de medische kennis? Waar is die gebleven? We hadden mijnartsen, we hadden een Staatstoezicht op de Mijnen. Ik ben op zoek naar een rare ziekte die nu niet meer voorkomt. Met de kennis van toen hoop ik een vraag van nu te beantwoorden. Ik zoek op internet en in het Trefpunt Medische Geschiedenis op Urk.

En wat vind ik? Vooral ongevallen. Een paar beroepsziekten. Silicose, lawaaidoofheid, bursitis van knie en elleboog. En ja, daar is hij, die raadselachtige beroepsziekte mijnwerkersnystagmus. Het beeld omvat niet alleen oogsidderen maar ook verminderde visus, verblinding bij overgang van donker naar licht, duizeligheid, hoofdpijn, trillen van de oogleden, en schudden van het hoofd. Donald Hunter beschrijft in zijn standaardwerk over beroepsziekten1 een aantal psychische klachten bij mijnwerkersnystagmus: anxiety, insomnia, loss of appetite, irritability, hypochondria, depression, querulousness and resentment.

Hoe ontstaat dit beeld? Er zijn twee theorieën. Eén: uitputting van de oogbolheffers door het voortdurend omhoogkijken tijdens het kolenhouwen. Twee: de slechte verlichting. De invoering van de veiligheidslamp met zwakke lichtsterkte (1883) wordt beschouwd als trigger. Maar ook de oplopende werkdruk door de modernisering van de kolenwinning.

In 1907 erkent de Britse overheid mijnwerkersnystagmus als beroepsziekte. Vanaf 1913 krijgen ook Britse mijnwerkers met aan nystagmus toegeschreven psychische klachten een uitkering zonder dat er bij hen oogsidderen is vastgesteld. De oogaandoening groeit uit tot de belangrijkste invaliderende beroepsziekte. In Nederland veroorzaakt de oogaandoening in de jaren 1934 – 1936 liefst vijftien procent van het totale ziekteverzuim onder mijnwerkers. Nederland spant daarmee de kroon. Toevallig bereikt precies in 1935 de productiviteitscurve van de Nederlandse mijnbouw een piek2. Tweemaal, in 1927 en 1938, proberen de mijnwerkersvakbonden de mijnwerkersnystagmus in de Ongevallenwet op te nemen als beroepsziekte. Beide keren steekt de werkgeverslobby daar een stokje voor. Argument: de mate van arbeidsongeschiktheid door nystagmus is niet te meten; dus kunnen hoogte en duur van een uitkering niet worden bepaald.

Oogarts Verhage promoveert in 1938 op onderzoek naar lichtadaptatiestoornissen bij mijnwerkers met nystagmus3 .  De psychische klachten van de patiënten vindt hij onbelangrijk. Verhage hamert op het belang van ‘objectieve’ symptomen. Hij hekelt ‘Engelse toestanden’:

Met het opgeven van den eisch van het aanwezig zijn van objectieve symptomen was de weg vrij voor werkschuwen, hypochonders en zwakke individuen, om door het aangeven van niet bestaande, of overdrijving van aanwezige bezwaren zich uit de strijd van het bestaan terug te trekken.

Verhage staat niet alleen. Keuringsarten zijn het met hem eens. Het woord ‘renteneurose’ wordt geboren en gekoppeld aan de mijnwerkersnystagmus.

Na 1950 wordt in Nederland geen enkel geval van mijnwerkersnystagmus meer gemeld. Lang voordat Den Uyl in 1965 de mijnsluiting aankondigt is de ziekte helemaal verdwenen. Even raadselachtig als zijn komst.

Wat nu? Mijnwerkersnystagmus lijkt een prototype van een moeilijk objectiveerbare aandoening. Ik zie overeenkomsten met andere somatisch onverklaarde aandoeningen, zoals het chronische-vermoeidheidssyndroom:

  • veel atypische symptomen
  • hoog ziekteverzuim
  • dé oorzaak is niet gevonden (‘het is multifactorieel’)
  • een periode van hoge werkdruk kan trigger zijn
  • een psychologische verklaring heeft voor- en tegenstanders
  • er is geen voor iedereen effectieve behandelmethode
  • sociale verzekeringsinstanties bezien patiënten wantrouwend.

De kennis van toen leert dat moeilijk objectiveerbare aandoeningen (en de maatschappelijke reactie daarop) sterk worden bepaald door de tijd waarin ze optreden. Je kunt ze zien als tijdsverschijnselen. Er is een tijd van komen, en misschien ook een tijd van gaan.

1 Hunter D. The diseases of occupations. London 1955.

2 Kerklaan P. Verblinde strijders aan het kolenfront. Tijdschr Soc Econ Geschied 2005: 2: 59-83.

3 Verhage JWC. Mijnwerkersnystagmus en adaptatiestoornissen. Proefschrift Leiden, 1938.

Medisch Contact, 30 juli 2018